zondag 30 oktober 2011

The snakes of South Bunarda

Nadat ik vanuit Kuala Lumpur naar Brisbane gevlogen was had ik een kort sollicitatie gesprek met Bruce in het hostel waar ik verbleef. Bruce is de eigenaar van een groep farms die zo'n 600 kilometers land inwaarts vanaf Brisbane liggen, op de grens van de "bewoonde" wereld. Aangezien ik op de vorige farm ervaring had opgedaan en boer zijn nou niet het meest ingewikkelde beroep is, was het kat in het bakkie en vertelde hij mij dat ik kon beginnen op een van zijn farms. Bruce was komen vliegen naar Brisbane om zaken te doen en als het weer goed was zouden we op dezelfde manier terug gaan. Het zonnetje scheen en zodoende reden we een paar dagen later richting het vliegveld. Zijn vrouw zette ons af, en terwijl Bruce het vliegtuig klaar maakte waarschuwde ze me dat ik alles goed in de gaten moesten houden, want Bruce was niet de beste piloot. Ik lachte en gooide mijn backpack achter mijn stoel zodat er wat meer balans gecreëerd werd in het vliegtuig, aangezien Bruce nogal een vetschort heeft. Toen alles klaar was voor vertrek sprak Bruce een aantal toverspreuken door zijn headset en de verkeersleiding antwoordde met een zelfde soort gebrabbel. Het idee was dat Bruce herhaalde wat de toren zei om te checken of alles was over gekomen, maar hij vergat steeds wat er gezegd was en zo stotterde dat gesprek voort. Ik dacht aan de opmerking die zijn vrouw had gemaakt voordat ze ons achterliet, begon te twijfelen of het wel als grap bedoelt was en vreesde voor de rest van de vlucht. We begonnen vaart te maken en langzaam kwam het apparaat van de grond. Het vliegtuigje maakte flink wat lawaai en schommelde als een bootje maar het ging gelukkig allemaal goed. De vlucht was prima, en ondanks wat turbulentie was het een goeie manier om Australië eens van boven te bekijken. We vlogen over de Great Dividing Range en de farm waar ik begin dit jaar nog het zweet in mijn naad stond te werken, richting de stoffige vlaktes van de outback.






De meeste farms die Bruce bezit liggen relatief dicht bij elkaar, de verste is zo 'n 50 minuten rijden. Ik werk op de grootste, genaamd South Bunarba, en in principe is het idee dat ik weer ga werken voor de irrigatie van de katoen. Aangezien een flinke regenstorm alle zaden uit de grond gespoeld heeft duurt het nog even voordat dat begint, en zolang help ik hier met allerlei andere dingen. De ene dag sta je in de workshop aan ute's (twee persoons jeep met een laadbak erachter) en tractors te sleutelen, de andere dag kruip je door een buis van een waterpomp ergens diep onder de grond om een tak eruit te trekken die er in gezogen is. Alles is hier zoveel beter geregeld dan op de andere farm en Bruce is een goede baas. Hij heeft ons al een aantal keer uitgenodigd om bij hem mee te eten of om bier te komen drinken. Verder heb ik mijn eigen ute, alle spullen worden door Bruce of de manager gekocht of vergoed en elke week mag je naar Mungindi, het dorpje 40 km verderop, om wat eten in te slaan. Mungindi is een typisch Australisch outback dorpje; stil, brede wegen, hooi dat over de weg waait, een supermarktje met achterlijk hoge prijzen en totaal willekeurige openingstijden en een pub waar de werkloze cowboys vanaf opening tot sluit hun uitkering door de fruitmachines jagen. De mensen hier kauwen hun woorden uit in plaats van spreken en alles gaat een flink aantal versnellingen langzamer.




Op dit moment is alles en iedereen druk in de weer om al het graan te oogsten. Het enige wat je doet is 14 uur per dag, zonder pauze in traktor naar de oogstmachines (harvester) racen, volladen, en alles in een truck spuiten die aan het eind van het veld klaar staat. Gelukkig zit je al die tijd lekker in je airco gekoelde cabine. De harvesters staan onder leiding van Luke Bradley, een soort kruising tussen Vince Vaughn in Into the Wild en Johnny Knoxville, die tijdens het werk constant grappen loopt te tappen over de radio. Dit samen met de ongekend dikke pensen van de vrachtwagenchauffeurs hier maakt het werk wat vermakelijker. De trailers (chaser bins) die we trekken zijn redelijk groot, de kleinste weegt 22 ton en de grootste 70 ton, en dat is zonder graan er in, dus echt racen lukt niet. Tijdens het rijden behaal je topsnelheden van maar liefst 35 km/h, maar aangezien je compleet door elkaar geschud wordt op die knollenvelden is dat meer dan voldoende.







Afgelopen week vielen er zowaar een paar druppels regen naar beneden waardoor er een dag niet geoogst kon worden. Ik had de eer om met Young Paul en Barry de jonge stieren te castreren en te labelen. Gelukkig geen paarden en lasso's maar quads en een hoop geschreeuw was voldoende. Toen alle beesten bij elkaar binnen de omheining gedreven waren begon de pret. Normaliter drijf je ze richting een soort trechter van hekwerk en aan het eind zet je ze in een soort klem en castreer je ze, maar aangezien het een paar weken later was dan dat ze het normaal deden konden grootste beesten net over het hek springen. Tegen de tijd dat ze weer gevangen waren, waren ze zo opgefokt dat je met geen mogelijkheid in de klem kreeg, dus ging Paul over op de old school manier: stierworstelen. Het idee is om het beest bij de nek te grijpen en op de grond te leggen terwijl de rest snel de poten vasthoudt. Hoe langer het duurt om ze te vangen de gekker ze worden. Ze stoten met volle snelheid tegen de hekken aan waardoor het metaal ombuigt, en sommigen gingen zo ver dat ze buiten bewust zijn raakten. Het zijn gelukkig geen volwassen stieren want die vangen ze hier door ze aan te rijden met een jeep met banden aan de voorkant. Nou is Paul geen kleine jongen, maar ik heb hem die dag een flink aantal keer door het stof gesleurd zien worden. Paul en Barry vonden het allemaal prachtig en terwijl die beesten als een malle op en neer sprongen om die cowboys van hun nek af te krijgen hoorde je Paul en Barry de hele tijd WOOOOHOOOO'en en de ouderwetse YIHEAAA schreeuwen. Echt sporen doen die twee niet want hoe gekker het werd hoe mooier ze vonden. Het ging allemaal goed tot de laatste. Hij was al gelabeld maar we hij wist tot twee keer toe te ontsnappen aan de castratie. Aangezien hij flink opgefokt was moesten we hem met z'n drieën vangen. Barry's beide benen werden goed raak geschopt door de achterpoten waardoor hij al schrompelend moest afhaken en toen we hem vervolgens in een hoek gedreven hadden kwam mijn hand tussen zijn kop en een hek terwijl hij ertegenaan beukte. Uiteindelijk hadden we hem te pakken en konden we met veel voldoende zijn ballen eraf snijden. En zoals Barry zei: "That'll make him think more about grass and less about ass". Ja de Australische grappen liegen er niet om. De vorige keer dat mijn vinger ergens tussen kwam kon ik naar een grote zwarte Afrikaanse dokter die met een aansteker en een naald een gat in mijn nagel prikte om de druk eraf te halen, maar aangezien je hier een flink eind van een dokter afzit zat dat er niet echt in. Toen ik om 2 uur 's nachts nog steeds wakker lag besloot ik maar om het zelf te doen waardoor ik uiteindelijk in slaap viel om vervolgens de volgende ochtend vroeg weer klaar te staan met mijn tractor nr. 3 in een veld vol graan.

In de irrigatie zal ik het meest met Old Paul werken. Paul is begin 30, en een rodere redneck zul je hier niet snel vinden. Het is een prima kerel maar hij houdt er nogal wat rare ideeën op na. Er is in Australië een immigratie probleem met met name Maleisiërs die hier per boot komen. Paul snapte niet waarom de regering die boten niet gewoon lek schiet zodra ze in de Australische wateren kwamen, een land kan immers zijn eigen wetten maken. Verder heeft hij een wapenkist in de tuin begraven met geweren waar hij geen vergunning voor kon krijgen. Die bewaart hij voor het geval de Koreanen Australië binnen vallen..Weinig diepgaande gesprekken met Paul dus maar ik kan het wel met hem vinden.

Verder waren er hier afgelopen zomer flinke overstromingen en daardoor zijn alle slangen naar de droge plekken gevlucht. En in de meeste gevallen zijn die droge plekken de katoen gedeeltes van de farms omdat die omgeven zijn met dijken. Volgens Joe, de graan manager, is dat de reden dat we hier elke dag wel een slang voorbij zien kruipen/slingeren/lopen. Joe vind het grappig om dode slangen in je ute of op andere plekken te leggen zodat je jezelf het apenlazerus schrikt zodra je op je stoel wilt gaan zitten. Bruce is laatst nog gebeten maar wist met wat hulp binnen een uur een dokter in Mungindi te bereiken. Gelukkig was het droog, want de helft van de wegen hier zijn zand en gravel paden waar je in natte omstandigheden lastig of simpelweg niet doorheen komt. De overvloed aan dodelijke slangen is ook de reden waarom alle vaste medewerkers rond rijden met een geweer in de ute. Zodra we een slang zien wordt er een bosje hagel richting de kop geschoten om te voorkomen dat hij iemand op een later tijdstip volspuit met zijn gif. Het is al een aantal keer gebeurd dat we aan het werk waren in een veld en iemand verstijfde en lijkbleek werd terwijl er een king brown vlak voor z'n schoenen langs kroop. Ik ben gelukkig nog niet aan de beurt geweest.



Toen ik met Rick (jazeker!), een van de vaste medewerkers, pauze had, zaten we langs de waterkant onze bammetjes op te peuzelen met het geweer naast ons. We hadden het over vissen en het verschil tussen Nederland en Australië. Hier in Australië hebben ze een serieus probleem met Europese karpers aangezien de rivieren er vrij letterlijk vol mee raken en ze niet kapot te krijgen zijn. Na wat geouwehoer over vissen en hengels liet Rick me zien hoe ze hier in de outback vissen en met een oorverdovende knal en flink wat spetters kwamen ze vanzelf naar boven drijven. Zo gaat dat dus hier.

Ik blijf hier waarschijnlijk nog een tijdje hangen om mijn rekening wat te spekken voor de plannen die ik heb, als die doorgaan aangezien ik weer door een hoop geneuzel moet om mijn visum te krijgen..

vrijdag 2 september 2011

On holiday during my holiday

Ik vond Rick op het vliegveld van Bangkok en we bespraken wat we gingen doen. Na wat heen en weer lopen besloten we om het vliegveld niet te verlaten en direct door naar Chiang Mai te vliegen. Zodoende landden we aan het eind van de middag in Mai zodat we het complete gekkenhuis van Bangkok niet in hoefden. De stad was nog steeds zo laid back als het was toen ik het verliet. In plaats van de schreeuwende, toeterende en jakkerende Bangkokkers (TUKTUK?!? MASSAGE?!?) werd er rustig een taxi aangeboden en we lieten ons vlak bij het hostel afzetten. Na een dagje chillen, goedkoop bier drinken en lekker eten gingen we de volgende dag een motortje huren. Rick had het er allemaal niet zo op en dus besloten we dat ik er een huurde en hij er ook even op ging rijden om het te proberen. Nadat ik uitgelegd had hoe je hem in zijn eerste versnelling zette en hoe je remde, draaide Rick het gas open om vervolgens recht op het eerste reclamebord aan de zijkant van de weg in te rijden. Zowel het motortje als Rick hadden geen schade en toen we bijgekomen waren sprong Rick toch maar achterop en reden we de stad in.

Na een paar dagen kwamen Guus en Fabrice, na een zware busreis, aan in Mai. Ze hadden een bende van 8 mensen uit Breda bij zich, en met die groep hebben we de dagen erop gepartyd in het centrum van de stad. Na al die extreme bierprijzen in Australie was het een waar genoegen om een hele nacht te partyen zonder meteen een vermogen uit te geven. Na een paar dagen besloten we om met een aantal gasten wederom een motortje te huren en richting Pai te rijden, een hippie dorpje dat 130 km van Chiang Mai aflag. Rick moest er ook aan geloven en zodoende reden we met zn allen de stad uit. Hans was eerder deze vakantie met 60 km/h tegen een straathond gereden om vervolgens met zijn vlees over het asfalt te schrapen, dus iedereen was gewaarschuwd. De wegen in de bergen waren nat aangezien het regenseizoen hier net gestart is, maar dat maakte de tocht er niet minder mooi om. Het uitzicht was ongekend en de weg zelf ook, haarspeldbocht na haarspeldbocht zo scherp dat alle auto's zich er stapvoets doorheen moesten proppen. Tijdens de tocht bezochten we nog een hotspring en moesten we nog schuilen voor een stortbui, maar na een rit van 7 uur kwamen we dan eindelijk aan in Pai, waar de avond net begonnen was. Een paar lui waren al vooruit gereden en we boekten een hostel vlakbij hun. De dagen daarna hebben we wat in Pai rond gekeken en gereden, de Pai canyon bezocht en gechilled bij en in de watervallen. Verder is er weinig te doen dus was het met name in een hangmatje cocktails drinken.






Na een paar dagen besloten Guus, Rick en ik terug te rijden naar Chiang Mai om vanuit daar door te reizen naar Laos. Het weer was prachtig, we kenden de weg (en de gaten erin) inmiddels en zodoende reden we in 2,5 uur terug naar Chiang Mai. Op de heenweg moesten we af en toe stoppen zodat Rick niet te ver achterop raakte, maar dit keer had je net je fles water uit je tas getoverd en daar kwam hij al de hoek om gescheurd. Uiteindelijk waren Guus en ik nog verkeerd gereden ook, dus toen we bij ons hostel aangekomen waren lag Rick daar lekker onderuit in het zwembad met een big smile op zn gezicht. We boekten de tocht naar Luang Prabang, een stad in het midden van Laos. Met een boot zouden we twee dagen lang over de Mao Kong rivier naar LP varen. We hadden op de grens overgang voor weinig een lekker flesje graswodka en wat biertjes gekocht, maar een groep Kiwi's naast ons had het professioneler aangepakt en hadden een flinke koelbox gekocht. Het resultaat was een paar Kiwi's die languit in het pad lagen en half over de stoelen hingen, maar het was zeker een gezellige tocht. We zouden de nacht doorbrengen in het plaatsje Pakbeng, wat in het midden van nergens lag. Er was wel elektriciteit maar geen pinautomaat, en aangezien geen van ons drieen er aan gedacht had om nog even te pinnen voor we de boot op gingen, hadden we een groot probleem. We konden het hostel gelukkig nog wel betalen, maar de volgende dag hadden we 4 flesjes water en 1 sandwich met z'n drieen. We waren blij toen we 's avonds aankwamen in de stad, en we besloten meteen de tuktuk naar een pinautomaat te nemen. Voor 10.000 kip (= €1,-) per persoon wilde de chauffeur ons er wel heen brengen. Na een rit van een minuut waren we er, Guus gaf de beste man 50.000 kip en deze besloot daarop hem te peren met het wisselgeld. Ondertussen werd ik door een wesp gestoken en daarna kwamen we erachter dat Rick z'n pinpassen het nergens deden. Welkom in Laos. Volgens de Lonely Planet zijn er maar weinig landen waar de mensen zo vriendelijk zijn als in Laos, maar wij konden ze niet vinden. De prijzen waren ook achterlijk hoog voor een ontwikkelingsland dat maar al te graag van de toeristenstroom uit Thailand wil profiteren, maar dat eigenlijk niet kan. In Thailand spreek je met een tuktuk chaffeur een prijs af en die rijdt je erheen, je betaald hem iets van €1 tot €1,50 en klaar. In Laos willen ze per persoon betaald worden, je betaald veel meer dan in Thailand, ze vertrekken niet voordat iedereen betaald heeft, lopen constant moeilijk te doen en al met al duurt het 5 minuten voor je eindelijk weg rijdt. Als die lui dan vervolgens ook nog het lef hebben om je camera uit je tas te jatten met alle foto's van Thailand en Laos kan je je waarschijnlijk ergens wel voorstellen dat dat "vriendelijke" volk van Laos van mij even te boom in kan.

De disco in Luang Prabang was wel een classic plek om uit te gaan, zeker aangezien Guus, Rick en ik daar de enige 3 blanken waren in een gigantische club. Zelfs Rick kon over iedereen heen kijken en het was mooi om te zien hoe het er daar aan toe ging, en hoe iedereen na sluit met zijn scootertje weg reed. Nadat de disco dicht was, was er nog maar 1 plek om heen te gaan..
inderdaad, je raadt het al…de bowlingbaan. Een hok met TL verlichting dat net iets buiten de stad lag en waar elke backpacker tot diep in de nacht bowlde en bier dronk. Op de laatste dag was een deel van de groep inmiddels ook aangekomen in LP en zodoende stonden we 's nachts met zn allen bowlen. Wij drieen hadden in de avonden daarvoor al redelijk skills ontwikkeld en met veel geschreeuw, afleidingsmanoeuvres en strategische curve ballen was het een mooie avond.



De volgende dag vertrokken we met zn allen naar Viang Vien, waarschijnlijk de meest bekende/beruchte plek in Laos, om daar te gaan "tuben". Het principe is simpel, je huurt een opgeblazen binnenband, je wordt 6km buiten het dorp afgezet bij de rivier. Je springt de rivier in met je tube en er staan mannetjes langs de kant met touwen en een flesje water aan het eind die ze naar je toe gooien om je binnen te trekken. Eenmaal aangekomen bij een barretje bestel je bier of een bucket (een emmertje met een of andere random alcohol mix erin met wat rietjes) en is het tijd om te partyen. Als je klaar bent met de ene bar spring je de rivier weer in met je tube om af te drijven naar de volgende bar. Elk jaar overlijden er mensen omdat ze bijvoorbeeld met een van de touwen die aan takken hangen de rivier inspringen en verkeerd terecht komen, of omdat ze dronken afdrijven, de laatste bar missen en vervolgens in de donkere nacht de jungle in te verdwijnen. Toen we aankwamen hoorde we net het verhaal dat er een overleden gast door zn vrienden in een soort vrieskist terug naar het dorp gedragen moest worden. Op een gegeven moment waren er zelf zoveel Britten overleden dat het Britse consulaat ingegreep en zodoende waren er veel duikplanken en dergelijke gesloten. Gelukkig was er nog wel de gigantische glijbaan, bestaande uit beton en tegeltjes, die je de rivier in lanceerde. Het is natuurlijk algemeen bekend dat je op je blote kont harder gaat dan met je short aan, en dus stond men aan de kant te kijken naar twee ongekend oogverblindend witte lapjes vlees die de rivier in gelanceerd werden. Toen ik voor de tweede keer ging legde ik de techniek ook aan Maarten uit, en halverwege zijn tocht omlaag besloot hij het ook maar te proberen. Hij schoot weg, de lucht in en lande in het water. Aan de kant staan er ventjes klaar met een reddingsboei aan een touw om je naar binnen te trekken zodat de rivier je niet meeneemt. Iedereen beneden stond te staren naar het water om te kijken waar Maarten bleef, en ik zag de ventjes beneden hun reddingsboei niet uitgooien, dus er klopte iets niet. Op een gegeven moment kon ik vanaf de toren zien dat hij een heel stuk verder op in de rivier boven water kwam, en een van de ventjes ging er achteraan om hem eruit te halen. Later bleek dat hij niet meer wist wat onder en boven was en water ingeslikt had. Gelukkig was hij ongedeerd en was hij nog in staat om bier te bestellen.Aangezien het regenseizoen gestart is stond de rivier flink hoog, maar de stroming ging ook flink hard. Normaliter zou de hele tocht naar het dorp 2 uur (ononderbroken) duren, maar wij hadden er binnen een uur wel kunnen zijn.

Voor ik begon aan het tuben was ik er redelijk sceptisch over, aangezien ik in Australie wel genoeg stomdronken Britten gezien had, maar uiteindelijk had ik er nog wel een week kunnen blijven. Desalniettemin was het tijd om via Vientien door te reizen naar de 4000 Islands in het zuiden van Laos, vlakbij de grens met Cambodia. We regelden 3 motortjes, er stond er 1 klaar en er moesten nog snel twee locals gezocht worden die hun motortje aan ons wilden afstaan voor een middagje. Aangezien er geen automaat voor Rick was, moest hij ook aan de schakel. Na een korte uitleg reed hij zonder problemen erop weg, en zo reden we over een eilandje wat gelukkig nog niet geheel verpest is door toerisme. Er waren veel kids langs de weg die "Saibadeeeeee" (hallo) naar je schreeuwden en zwaaiden met een big smile op hun gezichtjes, mensen die je vriendelijk groeten en niet meteen WANNE BUY CHEAP CHEAP naar je schreeuwden. Ik had eindelijk weer dat gevoel wat ik ook in Ghana en Ecuador had, dat je op een plek bent waar mensen je niet zien als een zak met geld maar als een mens met een kleur die ze nog maar zelden gezien hebben. Aan het eind van de dag telden we ons geld, en realiseerden we ons dat we wel heel veel kip hadden, en aangezien we 2 dagen later in Cambodia zouden zitten moesten we er maar vanaf zien te komen. We dronken bier en bestelden wat cocktails en de volgende ochtend kwamen we erachter dat we eigenlijk bijna geen meer overhadden, en de dichtsbijzijnde pinautomaat was in een stad 140 km verderop. Dat was..een beetje dom inderdaad. Aan wal was er een bank, en na wat geregel werden we in de meest gammele auto ooit naar de bank gereden. Aangezien je hier alleen met een hoop papierwerk met een creditcard kon opnemen was ik de enige die wat geld bij elkaar kon sprokkelen, waardoor we alsnog 130 km het land in moesten om bij de dichtstbijzijnde pinautomaat geld op te nemen.






Tanken in Laos

Twee dagen later reden we aan het begin van de avond Pnhom Penh binnen om daar de volgende dag naar de Killing Fields te gaan. De fields waren eind jaren 70 het toneel van ongekend botte slachtpartijen door Pol Pot en zijn kameraden. Ze ontwikkelden een communistische revolutie waarmee ze terug naar het jaar 0 wilden gaan. Iedereen die ook maar iets van intelligentie had of welvarend was werd vermoord op de Killing Fields. Er waren weinig vereisten om vermoord te worden, een bril dragen was al genoeg, waardoor de aantallen opliepen in de miljoenen. Terwijl we rondliepen en alle plekken bekeken, zagen we overal lappen stof tussen stukken boomwortel uit de grond steken. Toen we beter keken waren dit geen takken of wortels maar stukken bot. En de lappen stof waren de kledingstukken, gedragen door de slachtoffers. Zonder dat we het wisten liepen we al een kwartier rond over de lijken van duizenden mensen. Later zijn we in de stad ook nog naar de S21 gevangenis geweest, waar Pol Pot jaren lang Cambodjanen martelde. Alles zag er uit alsof het halsoverkop was achtergelaten en er sindsdien niks veranderd was. De lijken waren uit de martelkamers weggehaald, maar de bloedvlekken lagen nog op de grond. Al met al was het indrukwekkend en hoewel we normaliter wel eens een grapje met elkaar maken was het deze was erg stil.

De dag erna reden we naar Siam Riep om daar de beroemde Angor Wat tempel te bezoeken. Om 5 uur in de ochtend reden we ernaar toe om de zonsopgang te bekijken. Het was allemaal mooi maar ik vond het wel wat overgewaardeerd. Rijen met Japanse telelenzen zaten te wachten op de eerste zonnestraaltjes, alhoewel het flink bewolkt was. Vervolgens gingen we nog naar wat andere tempels, waaronder de tempel waar Tomb Raider opgenomen is. Na de dagje in het zwembad hangen en wederom een legendarische avond uit vertrokken we de volgende dag terug naar Thailand om daar op Ko Chang nog wat te chillen en van de mooie stranden van de exotische eilanden van Thailand te genieten. Dit waren de laatste dagen van Guus en Rick, en als afsluiting bleven we nog een paar dagen in Bangkok. Al die weken lang heb ik van iedereen uit Breda verhalen gehoord over "thuis" en dat zorgde bij mij voor redelijk heimwee. Ik had inmiddels al wel besloten om terug te gaan naar Australie, om daar weer op een farm wat bij te beunen voor de volgende reisplannen. Mijn vlucht naar Brisbane ging via Kuala Lumpur dus ik besloot daar ook maar meteen een dagje rond te kijken. De vlucht naar KL was de meest extreme die ik tot nu toe gehad heb. Uit het niet kregen we extreme turbulentie, alle vrouwen gillen en de stewardessen en het eten vlogen in de rondte. Het duurde een minuut en iedereen was bang, sommigen zaten zelfs te janken. Nou vond ik het ook niet prettig, maar je doet er zo weinig aan he, een paar kilometer boven de grond. Een dag in KL bleek lang genoeg en op het moment ben ik alweer een week aan het werk op een katoen en graan farm in Australie. Om een lang verhaal kort te maken..ik vermaak me nog wel even.







Alle foto's komen van Guus BMS's z'n camera. Bedankt swaaa

woensdag 20 juli 2011

St. Kilda times

En toen zat ik in het vliegtuig richting Bangkok. Nadat Rik en ik in Melbourne aangekomen waren was er nog een paar dollar over. We zochten een plek om de bus te parkeren en vanuit daar liepen we elke keer naar de stad om water en eten te halen. Er zaten nog een paar druppels benzine in de tank en die wilden we bewaren voor degene die een proefrit wilde maken. Elke avond was er bij de Victoria Market een voedsel hand-out waar de lokale daklozen en junkies wat bammekes konden halen. Aangezien er vrijwel geen geld meer was stond ik daar elke avond in de rij voor een boterham met kaas en een halve donut. Je maakt daar al snel vrienden en iedereen kent elkaar. De een komt aangelopen in een jurk, de ander in een korte broek waardoor je de bloedvlekken op zn benen en armen kon zien zitten. Maargoed, eten is eten en na een paar dagen kwamen er twee Franse meiden naar de bus kijken. Aangezien Rik en ik geen papieren of iets hadden voor de bus was het vrijwel onmogelijk om hem te verkopen, zeker gezien de strikte regels hier in Australië tussen alle staten. We lieten de motor aan de meiden zien maar ze verzochten ons de klep weer naar beneden wilden doen want ze snapten er toch allemaal niks van. Ze vroegen hoeveel het was en liepen naar de pinautomaat. Ze konden die dag maar de helft opnemen maar de volgende ochtend spraken we vroeg af, zij brachten het geld, wij de bus. Zonder ook maar een proefrit gemaakt te hebben betaalden ze ons en gaven we ze de sleutel. Echt, ik denk dat dit de twee meest naive mensen zijn die ik ooit ontmoet heb. Aangezien de bus zelf echt bijzonder goed was voor een backpackersbus, geen roest, 170.000 km's en nieuwe banden voelde ik me niet al te schuldig.





De buit werd verdeeld en Rik en ik gingen onze eigen weg. Ik zocht een hostel op en ging op zoek naar een baan. Ik kon eindelijk weer doen wat ik wilde zonder dat er ook maar iemand was waar ik rekening mee moest houden. Als ik zin had om heel de dag midden op de stoep te gaan liggen of om koppeltje te gaan duikelen in het park was er niemand die me tegen hield. Na een paar dagen vond ik een baan bij een promotie bureau in de beurt van St. Kilda. In Nederland zijn het alleen nog de Jehova's en hier en daar een verdwaalde kunstenaar die het doen, maar in Australie is het nog altijd een invloedrijke vorm van sales; doorknocking. Het doel was om mensen een donorschap van de Australian Conservation Foundation van 2 jaar lang $29,- per maand aan te bieden. Je klopt op een deur, doet je praatje, zorgt dat je binnenkomt, je doet je presentatie, mensen vullen het formulier in, je maakt een telefoontje naar het kantoor om alle gegevens te checken en je loopt naar buiten met de credit cards gegevens van die persoon. Ik denk niet dat het in Nederland zou lukken, maar in Australie kom je met een paar slechte grappen en een accent verder dan ik ooit had gedacht. Het mooie van dat baantje was dat je dus ongeveer een uur bij mensen thuis zit, een leuke manier om eens te kijken hoe het er aan toe gaat achter de Australische voordeur. Aangezien vrijwel elke Ozzie na het werk bier drinkt was het vaak het doel om elke dag minimaal 1 biertje regelen. Je vrees voor honden verdwijnt ook na een tijdje, want het gebeurd bijna dagelijks dat je door een hekje de tuin in wandelt en er een kwijlende viervoeter de hoek om gestormd komt. Het blijft altijd bij blaffen en je kan maar beter doen alsof die hond je grootste vriend is, want het is de grootste vriend van het baasje, en je wilt binnenkomen dus moet je zorgen dat het baasje ook jouw grootste vriend wordt..tot je zijn huis weer verlaat want dan wordt zijn buurman je grootste vriend. Mensen kopen van mensen die ze mogen, dus het enige wat je de hele dag deed was "5minutefriends" maken. Als je een week door zo'n dorp rondgelopen hebt en je wandelt een keer de supermarkt in dan herken je altijd de helft van de mensen. Oudere mensen waren vaak een nachtmerrie omdat ze je eerst een uur bezig houden met al hun familie drama's en dan aan het einde vaak geen bankrekening blijken te hebben (jaja dat bestaat nog hier). Dan loop je de deur uit en dan bedanken ze je voor het fijne gesprek, totaal onbewust van het feit dat ik daar nou niet bepaald kom om eens even bij te kletsen. Al met al is het een prima baantje, ik had na 3 weken een aantal dagen de hoogste score van het land, wat natuurlijk ongekend cool is, maar om echt geld te verdienen kan je beter op een farm gaan beunen. Rick (van Laarhoven), Guus, Joeri en Fabrice zijn in juli in Thailand en aangezien ik nog een ticket naar Bangkok op de plank had liggen leek het me wel leuk om de dagelijkse sleur hier in Melbourne te onderbreken met een vakantie naar Zuidoost Azie.

En zodoende zit ik dus in de viezeventjesvlucht naar Bangkok. Ik vraag me toch altijd af waarom mensen een vliegtuig inwandelen met een boardingpass in de hand, om bij elke rij het nummer op de ticket te checken, vervolgens het nummer van de rij boven de stoelen, en daarna weer de ticket en dit bij elke rij stoelen alsof ze de 10 verschillen zoeken. Het lijkt me niet al te moeilijk om een getal en een letter te onthouden, en aangezien er enige volgorde in zit zou je direct naar de goeie rij kunnen lopen. Met een smakkende Chinees naast me die heel hard uit zijn neus ademt vermaak ik me verder prima hier. Ik heb die beste vent nog een tijdje bezig gehouden met het leeslampje boven me dat je met de afstandsbediening naast je aan en uit kan doen. En terwijl de zon aan deze kant van de wereld langzaam boven de wolken uitkomt ben ik benieuwd wat voor weer het is in Thailand en wat er dit keer allemaal te wachten staat.

[Ik heb de laatste 2 maanden vrijwel geen foto's gemaakt, maar dat komt wel weer goed in Thailand]

vrijdag 22 april 2011

Blood & Baby's (2/2)

Precies op een nationale feestdag (Labour Day) reden Rik en ik over de Great Ocean Road, waardoor het er een drukte van belang was. Het was absoluut mooi, maar het aantal metalen tubes met Japanners en ouderen drukte de pret en vooral het uitzicht. Voor de nacht zochten we een slaapplek op, en via een klein bospaadje reden we een berg op waar we rustig tussen de boompjes pannenkoeken gebakken hebben.

De volgende dag reden we, zonder succes, naar een verlaten walvisspotspot om vervolgens naar Adelaide door te cruisen. In Adelaide was het plan om de van te verkopen zodat we allebei weer onze eigen weg konden gaan. Via de heuvels, met het zonnetje door het raampje reden we de stad binnen. 's Avonds checkten we bij een paar campers op de parkeerplaatsen wat de gang van zaken hier was wat betreft overnachten in je busje. Een paar Fransen hadden een mooi plekje langs het strand vertelden ze. De parkeerplaats zou om 22u sluiten en dan konden we hun volgen naar die spot. Het werd een gezellige avond met de backpackersdrank numero uno; Goon. Het is goedkope wijn in een 4 liter zak. Niet te zuipen maar voor een krat bier (hier in dozen) betaal je al snel 50 dollar (35/40 euro), en dat zijn geen grappen. Aan het eind van de avond reden we achter de Fransen aan, en zo werden we wakker met het zonnetje in ons gezicht en elke 5 seconden een andere vrouw van middelbare leeftijd langs je ramen die het vet eraf aan het rennen was. We reden terug naar de parkeerplaats van de avond daarvoor en daar ontmoetten we de andere busjes ook weer. De daaropvolgende dagen childen we overdag op die parkeerplaats bij het strand, wat later ook nog eens een kitespot bleek te zijn. Na een aantal dagen reed er een stoet van 4 campers naar de straat langs het strand om daar te gaan slapen, en vervolgens weer naar de parkeerplaats om daar in de zee te zwemmen, te koken of een potje te voetballen. Dat kan natuurlijk niet heel lang goed gaan midden in een stad, dus op een ochtend werden we gewekt door John Gray. John Gray had een beste pens, een kaal hoofd, een naambordje en hij was van de gemeente. Hij klopte op het raam, ik deed het raampje open en hij stelde zich netjes voor Hij vroeg wat we aan het doen waren en na het zien van mijn slaperige hoofd dat nog lang geen zin had in al dat daglicht, vertelde hij meteen maar dat het verboden was om daar te slapen en of we wilden vertrekken. Op de parkeerplaats werd het zaakje eens besproken met iedereen en 's avonds zouden we opsplitsen door de stad. Dit hebben ze bij de gemeente waarschijnlijk ook door gehad en de volgende ochtend kwam er iemand van de gemeente naar de parkeerplaats om ons nog eens duidelijk te vertellen dat het illegaal was om te kamperen, en vervolgens noteerde hij demonstratief ons nummerbord in zijn kladblokje. Sindsdien slapen we elke keer wat verder weg, en dat werkt prima.

Ergens onder Adelaide ligt een stukje kust wat redelijk goede swell heeft, en we besloten om er eens heen te rijden want de statistieken beloofden goeie golven. De spot, Middleton Point, was vrij rommelig maar voorin waren wel wat lijntjes om te rijden. Later gingen we wat boodschappen doen en liepen even een surfwinkeltje binnen om te kijken naar alle mooie spulletjes. We spraken de chick van de shop en die vertelde ons dat er in Victor Harbor een soort heuvel/rost in zee stond die de Bluff heette, en daarachter was een klein baaitje met goeie surf. We reden erheen, maar we zagen zoveel rosten het water uit steken dat we er niet in gingen. We sliepen op de Bluff zelf en de volgende dag ontmoetten we daar Luke die rustig in zijn busje een biertje dronk. Een dude van een stukje in de 30, blonde dreads en hij zat onder de verf want hij kwam net terug van zijn werk. We dronken wat biertjes en hij nodigde ons uit om naar zijn farm te komen. Hij had wel wat klusjes voor ons, en in ruil daarvoor konden we daar slapen en mee eten. Prima deal, dus zo reden we achter zijn witte busje aan over de stoffige zandwegen van South Australia. Na een uur waren we er en ontmoetten we zijn vrouw, Eleonore, wiens ouders Nederlands waren. Het was een mooi huis, met wat wei en heuvels eromheen. Hij had een koe, wat schapen, een lama, katten, honden, kippen, hanen, noem maar op. Hij had zelfs 2 paarden, maar die kwamen bij het huis en hij zag het nut van die beesten niet echt in, en ik kon het hem uiteraard ook niet vertellen. Ze poepten wel veel, want dan weer gezond was voor de planten, maar het lag dan ook echt overal. Na een potje pool op z'n pooltafel keken we een flimpje op het gigantische scherm dat in de woonkamer stond. En dat was lang geleden! Als je een tijd aan het reizen bent vergeet je bijna hoe het is om lekker op de bank te zitten met een filmpje. Het open haardje knapperde er ook nog eens lekker op los want de herfst is hier inmiddels begonnen en de nachten worden fris. Al met al hadden we het goed voor elkaar daar.



Het was inmiddels al een uur of 1, en de avond liep zo op z'n einde toen de honden van Luke buiten in een keer begonnen te blaffen. De honden, die op hun achterpoten staand even groot waren als ik, luisterenden normaal altijd, dus toen ze niet ophielden besloot Luke om buiten te gaan kijken. Opeens kwam Luke binnengerend, rende weer naar buiten om vervolgens weer naar binnen te komen en mij een baby met een bebloed gezicht in de handen te duwen en hij vroeg me het vast te houden. Vervolgens hoorde ik een vrouwenstem buiten die flink in paniek was, en al huilend en schreeuwend buiten ergens in de nacht rondliep en langzaam dichterbij de voordeur kwam. Mijn altijd scherpe instinct vertelde mij dat er iets gebeurd was buiten, en rustig liep ik met de baby naar de slaapkamer om daar maar wat Oud Hollandsche slaapliedjes te zingen. Het bloed kwam gelukkig niet van de baby, en terwijl ik Luke in de hal de politie hoorde bellen probeerde ik het armbandje van het kind te lezen zodat ik in ieder geval wist voor wie ik aan het zingen was. Terry was het, maar dat is hier een unisex naam dus veel verder kwam ik niet. Het kind had iets roze aan, maar vervolgens wel weer een Cars badjas. Ik zat daar wat te puzzelen toen Luke binnenkwam met een korte samenvatting van wat er mogelijk gebeurd was. De vrouw binnen was de moeder van het kind, en ze waren door haar vriend achterna gezeten met een kettingzaag. De vrouw zat inmiddels binnen en Luke probeerde haar gerust te stellen en uit te vogelen of die kerel nog in de buurt was. Al snikkend en verward riep ze een paar woorden door de woonkamer, maar echt veel was er niet uit te halen. Inmiddels was Eleonore uit bed gekomen en nam de baby van me over. Ik liep de woonkamer in en daar zat de vrouw onder het bloed wat woorden bij elkaar te snikken. Tegen de tijd dat ik zag dat het bloed van haar hand kwam was de politie er, samen met het ambulance personeel. Uiteindelijk bleek alleen haar vinger open te liggen, en was het kindje ok. De politie handelde het verder af, en wij stonden in de hal wat grappen te maken over de situatie, zoals je altijd maar het beste kan doen in dit soort gevallen. De politie en de ambulance namen de vrouw en het kind mee, en zodoende konden wij fijn naar bed.

De volgende dag was het tijd om een schaap te slachten, maar dan moet hij natuurlijk eerst nog gevangen worden. Met de Benny Hill tune in mijn hoofd renden we door het weiland om het beest te vangen. Na een aantal pogingen hadden we het in een hoek gedreven en sleurde Luke het beest de kruiwagen in. Eenmaal vakkundig de nek opengesneden en gebroken werd het beest opgehangen, gevilt, ingewanden er uitgehaald en werd het op de kop opgehangen in een koelkast. Tenminste, ik denk dat het op de kop was, want er zat natuurlijk geen hoofd meer op. Dezelfde dag bouwden we ook nog een brug over een van de vijvers op de farm. Twee boomstammen en wat oud hout waren genoeg om droog aan de overkant te komen, al vertouwden de honden de brug voor geen meter en bleven ze stug om de vijver heen lopen.




In de daarop volgende dagen moesten Luke en Eleonore zelf werken, dus ruimden wij als getrainde strontvegers de boel netjes op. De koe en paarden terroriseerden al een tijdje het moestuintje, en dat kwam omdat de koe en paarden overal maar rondliepen en niet in de wei stonden. Het stoorde Luke al een tijdje maar hij was kennelijk nog niet op het idee gekomen om de beste beesten in het weiland op te sluiten, dus hebben Rik en ik het maar gedaan. Rik kwam meteen al aan met een strop, maar gelukkig was een doos met groenten genoeg om de beesten het weiland in te lokken. Het kostte wat tijd, maar het lukte ouderwets goed. Verder moesten er nog wat takken geraapt worden die we opstapelden en in de fik staken. De guesthouse waar we verbleven was een soort schuur met een klein kamertje bovenin met een bed. In de schuur stonden banken en stoelen door elkaar, een fitnessapparaat en veel rommel dat vast ooit nog wel eens ergens voor iets te gebruiken was, zoals dat hoort in een schuur. Na een flinke flinke bezem er doorgehaald te hebben zag alles er pico bello uit en konden we genieten van een mooie woonkamer.






Luke's baan was het repareren van daken, hij had al tig baantjes gehad maar hier was hij bijzonder behendig in en het verdiende goed. Rik ging een dag mee en zodoende had ik de hele farm voor me alleen. Luke had twee mooie kano's en ik nam er een mee in zijn busje om ermee naar het strand te rijden. Ik duwde de kano de zee in terwijl de zon brandde in de blauwe lucht. Ik peddelde een paar kilometer over zee toen ik aan de kust tussen de rotsen een verborgen strandje zag. Het leek alsof er grote balen zeewier op het strand lagen, maar links was er een kleine opening. Ik peddelde tussen de rotsen door en probeerde de kano door de knallende beachbreak fatsoenlijk het strand op te sleuren. Ik liet mijn armen wat rusten en genoot van het zonnetje terwijl ik op een van de zachte, stinkende wierhopen lag. Na een tijd peddelde ik weer terug naar het strand waar het busje stond, en eenmaal "thuis" aangekomen sprak ik Rik over hoe zijn dag was. De volgende dag zou ik hetzelfde dak afmaken waar Rik aan begonnen was. Met een soort hoge druk reiniger / verfpistool werd het dak voorzien van een mooi laagje verf. Luke en Luuk begonnen de volgende ochtend met het afmaken van het dak, en we brachten de eerste laag verf toe. De verf moest drogen en het was inmiddels al 13u, dus dan zit er maar een ding op in Australië. Na een half uur gingen we terug vanuit de pub naar het dak en brachten we de tweede laag toe, waarna de zon de rest zou doen. Luke gaf mij de spuit aan vanaf het dak, maar ik moest springen om erbij te kunnen. Terwijl ik in de lucht was greep ik het handvat vast, maar daarmee ook de trigger van het verfpistool, en spoot Luke een mooie laag groen in zijn gezicht en haar. Luke kon er allemaal wel om lachen. Toen we thuis waren pikten we Rik op en gingen we cliff diven langs de kust. We kwamen op een spot van een meter of 4 hoog en doken tussen de rosten richting de bodem. Luke had ook nog wat snorkel spullen meegenomen, en zo kwam het dat ik met de altijd sexy duikbril en een speer onder het water achter het avondeten aan ging. De vissen kenden de rotsen echter van buiten en ik kreeg ze niet te pakken.


Na een flinke week tot laat in de avond films kijken op het grote scherm bij de open haard was het tijd om weer terug te gaan naar Adelaide. Het begint inmiddels herfst te worden en veel backpackers trekken richting het noorden. Aangezien de bus niet in Adelaide verkocht ging worden en werk zoeken had na al die weken zoeken ook geen succes, besloten we om met de laatste centen die we hadden om naar Melbourne te rijden. Het was een redelijke gok want het was 750 km en we hadden geld voor 2,5 tank benzine. De Fransen van de spot gaven ons nog wat eten mee zodat we al ons geld aan benzine konden spenderen. Onderweg stormde het weer er goed op los, en het leek wel of de tijd voorbij kroop. Gelukkig waren er minder bergen als op de heen weg (we namen een andere route) en kwamen we 's avonds aan in Melbourne. Een van de Zweedse meiden die we hier ontmoet hadden had inmiddels een appartement in het centrum, dus daar konden we die avond crashen. Nu is het zaak om hier werk te zoeken en proberen die bus eruit te krijgen..

zondag 17 april 2011

Brisbane to Adelaide (1/2)

Na doei gezegd te hebben op de farm gingen we naar Tony's huis om daar nog wat biertjes te drinken. Daryl, de jager van onze farm en tevens een goeie vriend van Tony kwam langs met zijn jaaghulpje. Daryl is naast jager ook nog eens uitsmijter bij de lokale disco, en dat alles samen met zijn mooie Duitse staartje en amicale grappen maakte het een goeie avond. Na een aantal bieries kwam de zelf gestookte sambuca op tafel, en vervolgens kwam Daryl met het plan om een kangaroo (oftewel roo) te gaan schieten, zodat de honden van Tony weer wat te eten hadden. En zo rijd je achterop de jeep, met 2 flinke kwijlende honden voor je in een kooi, over de zandpaden door de afgelegen gebieden van de farm. Met spotlights werd er goed gezocht in de pikzwarte nacht en uiteindelijk kwamen we een zwerm roo's tegen. Zelfs de voorruit kon voorover klappen om te zorgen dat Daryl niks in de weg stond om een van de roo's met 1 kogel door het hoofdje neer te schieten. Uiteraard heel zielig voor het beest, maar altijd nog vele malen beter dan door 2 honden uit elkaar getrokken te worden. Onder onze ogen werd het beest netjes in stukjes gesneden en aan de haken achterop de jeep gehangen, en zo reden we rustig terug naar Tony's huis om te vertellen dat de missie geslaagd was.



De volgende dag was het dan toch echt tijd voor ons om te vertrekken naar Brisbane, en pakten we de bus. We kwamen aan het eind van de middag in Brisbane aan en we wilden meteen naar een hostel waarvan de eigenaar een busje te koop had staan. Een vriendelijke Ozzie wees ons de weg, liep een stuk mee om er zeker van te zijn dat we goed liepen, en vertelde vervolgens nog 3x welke bus we moesten nemen en welke ferry. Na een flinke tijd in de bus gezeten te hebben stopte hij midden in een woonwijk met de mededeling dat dat het eindpunt was. We vroegen de beste chauffeur hoe het zat met de buslijnen/haltes en ferry's want we waren duidelijk niet waar moesten zijn. Hij vertelde dat door de floods de ferry's sowieso niet vaarden, en dat de plek die wij zochten aan de andere kant van de stad was. Het was inmiddels half 12 's avonds en daar stonden we dan met onze rugzakjes in een woonwijk ergens buiten de stad. We begonnen te lopen en al snel kwamen we een man tegen met een longboard onder zijn arm die zich afvroeg waar we naartoe op weg waren. We vertelden dat we dat onszelf ook afvroegen en hij nodigde ons uit bij hem thuis. Wederom werd er bier van stal gehaald, zijn vriendin kwam erbij zitten, en uiteindelijk mochten we daar op de bank blijven slapen.





De volgende dag gingen we opzoek naar de busjes en maakte wat afspraken om busjes te bekijken. Uiteindelijk kwamen we uit bij het busje van het hostel en terwijl wij daar gratis konden overnachten zou hij voor ons het interieur in orde maken. We hadden een goeie deal gemaakt en voor 200 bucks bouwde hij, met hulp van ons en een vriend van hem, het door ons ontworpen interieur. (Die vriend van hem dronk overigens zo 'n 10 tot 15 liter Coca Cola per dag..). Op de tweede dag aan het eind van de avond was hij dan klaar, en we sprongen er meteen in om 1 minuut voor sluitingstijd nog een geluidsinstallatie te kopen. Subwoofer tussen ons in, stekkers erin en op naar Byron Bay.

De afstanden in Australië vallen altijd wat tegen, als je op de kaart kijkt dan lijkt de afstand van bijvoorbeeld Sydney naar Brisbane een uurtje of vier, maar je bent gerust 3 dagen aan het rijden voor je er bent. Het viel ons dan ook mee dat we aan het begin van de nacht al in Byron Bay aankwamen. We zochten een plekje om te slapen, om de volgende dag wat dingen voor de bus te kopen. Het busje werd mooi ingericht, en toen was het tijd om surfboards te gaan halen. Rick ging voor een 6'4" shortboard en ik voor een 7'4" quasi malibu (voor de heads). Toen alles compleet was reden we richting het main beach om wat te zwemmen in de zee. Toen we weer bij de van waren kwam er op een gegeven moment een busje aangereden met een hippie meisje en die vertelde dat er bij Tallow, een spot aan de andere kant van de vuurtoren van Byron, redelijk goeie surf stond. We gingen het checken, Rick ging even het water in maar het was niet best. 's Avonds chillden we met Ready? (zo noemden haar vrienden haar omdat ze altijd als laatst klaar stond) en die bleek een goeie pot gitaar te kunnen spelen en ook nog eens bezig was om met de Pro Women Tour mee te gaan surfen. We zochten een plek op om te gaan slapen, en de volgende dag gingen we met z'n drieën weer naar Tallow. Het was redelijk druk in het water, en Rick en ik peddelde uit naar de buitenkant van de groep. Op een gegeven moment zagen we in de verte een vin boven het water uitsteken. Toen we goed keken bleek het een groep dolfijnen te zijn die lekker in de golven aan het spelen waren. Ondertussen knalde Ready? op haar roze mini boardje over de ene golf na de andere. De dolfijnen kwamen dichterbij en voor we het wisten zwommen ze onder je door of ze kwamen uit de golven springen die voor onze neus braken. Waarom naar het Dolfinarium gaan als het ook zo kan.




Borat en zijn vrienden waren er ook.

Na een week in Byron Bay vertrokken we met als doel een van de grote toeristenknallers in Oz, de Great Ocean Road. We reden naar het zuiden via de kust opzoek naar baaitjes om te surfen. Elke dag was (en is het nu nog steeds) de sport om een goeie slaapplek te vinden. Je mag vrijwel nergens gratis campen, en in Byron waren we ook al een keer door de politie wakker gemaakt, dus wil je een beetje uitslapen dan moet je je goed verstoppen. We reden Sydney in om nog even hoi te zeggen tegen de mensen via wie we hier gekomen waren en vervolgens reden we snel weer weg, want het is toch voor mij echt de minste stad tot nu toe. Toen we wegreden uit Sydney reden we een groot gedeelte wat we een paar maanden terug nog gelift hadden, dus de voldoening was groot toen toen we er met onze eigen 4 wielen overheen reden. We zochten een mooi plekje aan het strand uit om de nacht door te brengen en toen we wakker werden was er zowaar surf voor onze neus. We peddelden uit en een tijd later kwamen er ook wat andere surfers bij. Niks zo lekker als vroeg opstaan en uit peddelen zonder iemand in het water, op Rik na dan. Toen we uit het water kwamen raakten we aan de praat met de man die namens de gemeente wat klusjes aan het doen was. Hij was al wat op leeftijd maar bleek altijd nog fanatiek te surfen. Hij gaf ons zijn oude wegatlas van Australië met daarin zijn nummer dat als we in de buurt waren we met z'n drieën wat surf konden opzoeken. Het boek, dat bijna uit elkaar viel en nog aangaf dat de weg van Brisbane naar Cairns offroad was, had allerlei spots aangekruist met daarbij omschrijvingen zoals "door het gat in de klif links" en andere hints om op de goeie plek terecht te komen. Het was alsof we een schatkaart kregen. Toen we wegreden van de parkeerplaats bleek dat we heel de nacht vlakbij het treinstation geslapen te hebben waar we met liften nog een tijd gestaan hadden en overwogen hadden om op een goederen trein te springen.
We vertrokken naar het zuiden en gingen opzoek naar de spots zoals die in het oude boek aangekruist waren. De surf in het algemeen was maar halven bak, maar ook hier kan het wel eens minder zijn uiteraard.





Onderweg stopten we aan het einde van een zaterdagmiddag bij ons oude hostel in Melbourne. Na wat geouwehoer met de jongens achter de bar, speelden we wat potjes pool, en was de monteur van wat poker en dart machines zo vriendelijk om ons wat gratis credits te geven. We besloten uiteindelijk maar een nachtje in Melbourne te blijven en we parkeerden onze bus in het midden van de stad op een parkeerplaats naast een busje waar een Zweed in zat. Zodoende zaten een uur later met een onbekende gast aan tafel ergens bij een Chinees in China Town. Later op de avond kwamen we ook nog wat Fransen en Canadezen tegen, en we besloten met z'n allen maar naar een club te gaan. Uiteraard kwamen Rik en ik niet binnen (niet de eerste keer hier), omdat we slippers en een short aanhadden. We lopen hier al maanden op blote voeten en in onze zwembroek dus ze moesten blij zijn dat we de moeite hadden genomen om slippers aan te trekken. Dat ging er niet in bij de bouncer. Rik had niet eens schoenen dus die mocht een paar van mij aan, al waren ze 2 maten te klein. Uiteindelijk stonden we daar dan toch binnen in die club. Zwetend van de hitte door de lange broek en schoenen bestelden we een biertje. Na wat rond kijken concludeerden we dat al die moeite redelijk voor niks was en al snel ging de tent dicht. We strompelden richting de parkeerplaats om daar maar eens wat te gaan slapen. De volgende dag zagen we toevallig de man van het betaalhokje van de parkeerplaats weglopen en wij zagen een kans om flink wat dollars te besparen en besloten om meteen maar te vertrekken. We blijven arme backpackers immersch.

maandag 28 februari 2011

A day in the life of a redneck

Na weken van onafgebroken ongekend harde arbeid hadden we dan eindelijk een dagje vrij op de farm. Dat moest natuurlijk goed gevierd worden, dus nadat ik mijn nachtdienst had afgerond klom ik nog snel even mijn bed in voordat Rik mij ophaalde om naar Tony te gaan. Tony is de man waarmee Rik in de dagdienst zit. Een echte cowboy, 49 jaar en bijna geen tand meer in zijn mond. Samen met zijn familie zouden we wat bij de rivier gaan zwemmen en BBQen bij zijn huis aan het meer. Toen we aankwamen werd ik verwelkomd in de woonkamer waar een prachtige Amerikaanse DVD werd afgespeeld over het jagen op wilde varkens. Met honden werden die beesten een kwartier lang gek gemaakt en aan de oren gebeten voordat ze dapper en onder luid gejoel van de cameraman door de jager met een mes kapot gesneden werden. Daarna gaan de helden der helden op de rug van het beest zitten en trekken zijn kop omhoog om het voor de kijker nog eens even goed duidelijk te maken dat de mens met zijn messen en 3 honden gewonnen heeft. Echt, wat een redneck zooi was dat. Maargoed, zo gaat dat ook hier in Australie, en ook Tony jaagt met zijn honden, maar dan op kangaroos om wat vers vlees voor zijn honden te halen. Tony is zo sportief om met een van zijn rifles het beest meteen af te schieten zonder dat ze eerst gek gemaakt worden.





Toen de DVD was afgelopen was het tijd voor iets waar ik stiekem al een tijdje op zat te wachten. De zoon van Tony heeft een dirtbike, en hij ging een stukje rijden. De beste jongen had zichzelf op zijn 11e geleerd hoe je op zon ding moest rijden, hij kon er toen alleen nog niet op stappen dus moest hij op zijn helm gaan staan om erop te komen, en vervolgens een rondje rijden om zijn helm van de grond op te pikken. Intussen was er een hele zwerm kaketoes in de grote boom in de tuin komen zitten, en die beesten maken echt een pokke herrie. Hier doen ze daar niet moeilijk over en ligt er een shotgun in de tuin waarmee de vrouw van Tony even in de lucht schoot. Wel jammer dat alle beesten 2 bomen verder gingen zitten. Nadat er wat trucken met de motor uitgehaald waren mocht ik een poging wagen. Zodoende knalden Rik en ik die middag flink wat rondjes (ze hadden ook nog een quadbike) over de farm, het blijft mooi om om zoveel power onder je kont te hebben. Toen we uitgespeeld waren was het tijd om naar de rivier te gaan om daar eens lekker af te koelen, want die zon maakt het hier wel eens warm.









Als Australiërs een vrije dag hebben is er echt maar 1 ding wat ze doen, en dat is zuipen. Iedereen die je vraagt hoe z'n weekend of vrije dag was, verteld dat hij of zij zat was. Nou is er ook niet heel veel meer te doen hier, dus ik heb er wel enig begrip voor. De BBQ werd maar afgeblazen en we besloten om naar het dorp te rijden om wat te eten in het hotel waar Tony's dochter werkt. Het was een gezellige bar, met 3 grote flatscreen TV's die uit stonden, TL verlichting, cafetaria tegeltjes aan de muur en er stond geen muziek aan. Maar ze hadden bier en dan is een Ozzie tevreden. Aan de bar stonden twee stereotype cowboys, hoedje achterop het hoofd, met een arm leunend op de bar en de andere hand om het biertje sterke verhalen te vertellen. In Australië is het overigens zo dat het barpersoneel verantwoordelijk is voor het gedrag van de klanten tot iets van een paar meter buiten de kroeg, vandaar dat te zatte mensen niks meer krijgen en naar buiten geknikkerd kunnen worden. Tony stond volledig uit zijn naad te gaan, en was al luchtgitarend op AC/DC (er was inmiddels een DVD aangezet) door de kroeg aan het zwalken. En zodoende zat ik dus rustig op mijn krukje te kijken hoe Tony's dochter haar eigen vader eruit moest gooien, en dus was het tijd om maar eens naar de farm terug te keren.



Tony was nog helemaal in zijn element, en eenmaal thuis gekomen liet hij zijn wapenkast zien, een paar shotguns en een paar flinke rifles. Rik en ik hadden zoiets van mwah, een keertje schieten zou geen kwaad kunnen. En zodoende stonden we een minuut later met z'n tweeën met een shotgun in de lucht te knallen, redneck life. Onder de indruk van de kracht van het apparaat praten we met Tony, en die verteld: "ya'll ain't seen my 30 point 6 yet! That's my baaaby" op een manier hoe Gollem over zijn ring zou praten. Tony dus naar binnen en komt met de grootste langste sniperbaas aan die in die kast paste, en schoot daarmee ook een kogel af met een oorverdovende knal. Ondertussen was er binnen weer een nieuwe DVD aangezet, die bijna nog erger was dan de vorige..een live DVD van Pink. Maargoed, de avond werd dus in stijl afgesloten en later reden we rustig over de farm naar huis om daar onze wifebeaters en gaaspetten aan de kapstok te hangen.



De volgende dag sta je weer met je nog slaperige kop met een buis een dodelijke brown snake te bevechten. We hebben door de floods tegenwoordig om de dag wel een slang te pakken, gelukkig zorgt het mooi voor wat opleving op een nachtje werken. Gelukkig werk ik 's nachts met Brad en Mick. Zo zit je vaak urenlang met Brad de gossip van de farm bespreken in de jeep, de manager is echt een klootzak en Mick is niet heel snugger dus die twee zorgen altijd wel voor uren gesprekstof. En als we daar klaar mee zijn dan heeft Brad altijd nog een onuitputtelijke bron van totaal zinloze weetjes en onderzoeken die gedaan zijn zoals die professor die maanden lang onderzoek gedaan heeft naar waarom navelpluis altijd lichtblauw van kleur is..

Ondertussen hebben we de farm verlaten en zijn we in Brisbane. We hebben een mooi turkenbusje gevonden en die zijn we samen met de eigenaar helemaal aan het inrichten. Na het beunen op de farm gaan we hier dus gewoon lekker verder. Morgen is hij waarschijnlijk af en dan vertrekken we hier vanaf Ozcoast Customs richting Byron Bay.