vrijdag 22 april 2011

Blood & Baby's (2/2)

Precies op een nationale feestdag (Labour Day) reden Rik en ik over de Great Ocean Road, waardoor het er een drukte van belang was. Het was absoluut mooi, maar het aantal metalen tubes met Japanners en ouderen drukte de pret en vooral het uitzicht. Voor de nacht zochten we een slaapplek op, en via een klein bospaadje reden we een berg op waar we rustig tussen de boompjes pannenkoeken gebakken hebben.

De volgende dag reden we, zonder succes, naar een verlaten walvisspotspot om vervolgens naar Adelaide door te cruisen. In Adelaide was het plan om de van te verkopen zodat we allebei weer onze eigen weg konden gaan. Via de heuvels, met het zonnetje door het raampje reden we de stad binnen. 's Avonds checkten we bij een paar campers op de parkeerplaatsen wat de gang van zaken hier was wat betreft overnachten in je busje. Een paar Fransen hadden een mooi plekje langs het strand vertelden ze. De parkeerplaats zou om 22u sluiten en dan konden we hun volgen naar die spot. Het werd een gezellige avond met de backpackersdrank numero uno; Goon. Het is goedkope wijn in een 4 liter zak. Niet te zuipen maar voor een krat bier (hier in dozen) betaal je al snel 50 dollar (35/40 euro), en dat zijn geen grappen. Aan het eind van de avond reden we achter de Fransen aan, en zo werden we wakker met het zonnetje in ons gezicht en elke 5 seconden een andere vrouw van middelbare leeftijd langs je ramen die het vet eraf aan het rennen was. We reden terug naar de parkeerplaats van de avond daarvoor en daar ontmoetten we de andere busjes ook weer. De daaropvolgende dagen childen we overdag op die parkeerplaats bij het strand, wat later ook nog eens een kitespot bleek te zijn. Na een aantal dagen reed er een stoet van 4 campers naar de straat langs het strand om daar te gaan slapen, en vervolgens weer naar de parkeerplaats om daar in de zee te zwemmen, te koken of een potje te voetballen. Dat kan natuurlijk niet heel lang goed gaan midden in een stad, dus op een ochtend werden we gewekt door John Gray. John Gray had een beste pens, een kaal hoofd, een naambordje en hij was van de gemeente. Hij klopte op het raam, ik deed het raampje open en hij stelde zich netjes voor Hij vroeg wat we aan het doen waren en na het zien van mijn slaperige hoofd dat nog lang geen zin had in al dat daglicht, vertelde hij meteen maar dat het verboden was om daar te slapen en of we wilden vertrekken. Op de parkeerplaats werd het zaakje eens besproken met iedereen en 's avonds zouden we opsplitsen door de stad. Dit hebben ze bij de gemeente waarschijnlijk ook door gehad en de volgende ochtend kwam er iemand van de gemeente naar de parkeerplaats om ons nog eens duidelijk te vertellen dat het illegaal was om te kamperen, en vervolgens noteerde hij demonstratief ons nummerbord in zijn kladblokje. Sindsdien slapen we elke keer wat verder weg, en dat werkt prima.

Ergens onder Adelaide ligt een stukje kust wat redelijk goede swell heeft, en we besloten om er eens heen te rijden want de statistieken beloofden goeie golven. De spot, Middleton Point, was vrij rommelig maar voorin waren wel wat lijntjes om te rijden. Later gingen we wat boodschappen doen en liepen even een surfwinkeltje binnen om te kijken naar alle mooie spulletjes. We spraken de chick van de shop en die vertelde ons dat er in Victor Harbor een soort heuvel/rost in zee stond die de Bluff heette, en daarachter was een klein baaitje met goeie surf. We reden erheen, maar we zagen zoveel rosten het water uit steken dat we er niet in gingen. We sliepen op de Bluff zelf en de volgende dag ontmoetten we daar Luke die rustig in zijn busje een biertje dronk. Een dude van een stukje in de 30, blonde dreads en hij zat onder de verf want hij kwam net terug van zijn werk. We dronken wat biertjes en hij nodigde ons uit om naar zijn farm te komen. Hij had wel wat klusjes voor ons, en in ruil daarvoor konden we daar slapen en mee eten. Prima deal, dus zo reden we achter zijn witte busje aan over de stoffige zandwegen van South Australia. Na een uur waren we er en ontmoetten we zijn vrouw, Eleonore, wiens ouders Nederlands waren. Het was een mooi huis, met wat wei en heuvels eromheen. Hij had een koe, wat schapen, een lama, katten, honden, kippen, hanen, noem maar op. Hij had zelfs 2 paarden, maar die kwamen bij het huis en hij zag het nut van die beesten niet echt in, en ik kon het hem uiteraard ook niet vertellen. Ze poepten wel veel, want dan weer gezond was voor de planten, maar het lag dan ook echt overal. Na een potje pool op z'n pooltafel keken we een flimpje op het gigantische scherm dat in de woonkamer stond. En dat was lang geleden! Als je een tijd aan het reizen bent vergeet je bijna hoe het is om lekker op de bank te zitten met een filmpje. Het open haardje knapperde er ook nog eens lekker op los want de herfst is hier inmiddels begonnen en de nachten worden fris. Al met al hadden we het goed voor elkaar daar.



Het was inmiddels al een uur of 1, en de avond liep zo op z'n einde toen de honden van Luke buiten in een keer begonnen te blaffen. De honden, die op hun achterpoten staand even groot waren als ik, luisterenden normaal altijd, dus toen ze niet ophielden besloot Luke om buiten te gaan kijken. Opeens kwam Luke binnengerend, rende weer naar buiten om vervolgens weer naar binnen te komen en mij een baby met een bebloed gezicht in de handen te duwen en hij vroeg me het vast te houden. Vervolgens hoorde ik een vrouwenstem buiten die flink in paniek was, en al huilend en schreeuwend buiten ergens in de nacht rondliep en langzaam dichterbij de voordeur kwam. Mijn altijd scherpe instinct vertelde mij dat er iets gebeurd was buiten, en rustig liep ik met de baby naar de slaapkamer om daar maar wat Oud Hollandsche slaapliedjes te zingen. Het bloed kwam gelukkig niet van de baby, en terwijl ik Luke in de hal de politie hoorde bellen probeerde ik het armbandje van het kind te lezen zodat ik in ieder geval wist voor wie ik aan het zingen was. Terry was het, maar dat is hier een unisex naam dus veel verder kwam ik niet. Het kind had iets roze aan, maar vervolgens wel weer een Cars badjas. Ik zat daar wat te puzzelen toen Luke binnenkwam met een korte samenvatting van wat er mogelijk gebeurd was. De vrouw binnen was de moeder van het kind, en ze waren door haar vriend achterna gezeten met een kettingzaag. De vrouw zat inmiddels binnen en Luke probeerde haar gerust te stellen en uit te vogelen of die kerel nog in de buurt was. Al snikkend en verward riep ze een paar woorden door de woonkamer, maar echt veel was er niet uit te halen. Inmiddels was Eleonore uit bed gekomen en nam de baby van me over. Ik liep de woonkamer in en daar zat de vrouw onder het bloed wat woorden bij elkaar te snikken. Tegen de tijd dat ik zag dat het bloed van haar hand kwam was de politie er, samen met het ambulance personeel. Uiteindelijk bleek alleen haar vinger open te liggen, en was het kindje ok. De politie handelde het verder af, en wij stonden in de hal wat grappen te maken over de situatie, zoals je altijd maar het beste kan doen in dit soort gevallen. De politie en de ambulance namen de vrouw en het kind mee, en zodoende konden wij fijn naar bed.

De volgende dag was het tijd om een schaap te slachten, maar dan moet hij natuurlijk eerst nog gevangen worden. Met de Benny Hill tune in mijn hoofd renden we door het weiland om het beest te vangen. Na een aantal pogingen hadden we het in een hoek gedreven en sleurde Luke het beest de kruiwagen in. Eenmaal vakkundig de nek opengesneden en gebroken werd het beest opgehangen, gevilt, ingewanden er uitgehaald en werd het op de kop opgehangen in een koelkast. Tenminste, ik denk dat het op de kop was, want er zat natuurlijk geen hoofd meer op. Dezelfde dag bouwden we ook nog een brug over een van de vijvers op de farm. Twee boomstammen en wat oud hout waren genoeg om droog aan de overkant te komen, al vertouwden de honden de brug voor geen meter en bleven ze stug om de vijver heen lopen.




In de daarop volgende dagen moesten Luke en Eleonore zelf werken, dus ruimden wij als getrainde strontvegers de boel netjes op. De koe en paarden terroriseerden al een tijdje het moestuintje, en dat kwam omdat de koe en paarden overal maar rondliepen en niet in de wei stonden. Het stoorde Luke al een tijdje maar hij was kennelijk nog niet op het idee gekomen om de beste beesten in het weiland op te sluiten, dus hebben Rik en ik het maar gedaan. Rik kwam meteen al aan met een strop, maar gelukkig was een doos met groenten genoeg om de beesten het weiland in te lokken. Het kostte wat tijd, maar het lukte ouderwets goed. Verder moesten er nog wat takken geraapt worden die we opstapelden en in de fik staken. De guesthouse waar we verbleven was een soort schuur met een klein kamertje bovenin met een bed. In de schuur stonden banken en stoelen door elkaar, een fitnessapparaat en veel rommel dat vast ooit nog wel eens ergens voor iets te gebruiken was, zoals dat hoort in een schuur. Na een flinke flinke bezem er doorgehaald te hebben zag alles er pico bello uit en konden we genieten van een mooie woonkamer.






Luke's baan was het repareren van daken, hij had al tig baantjes gehad maar hier was hij bijzonder behendig in en het verdiende goed. Rik ging een dag mee en zodoende had ik de hele farm voor me alleen. Luke had twee mooie kano's en ik nam er een mee in zijn busje om ermee naar het strand te rijden. Ik duwde de kano de zee in terwijl de zon brandde in de blauwe lucht. Ik peddelde een paar kilometer over zee toen ik aan de kust tussen de rotsen een verborgen strandje zag. Het leek alsof er grote balen zeewier op het strand lagen, maar links was er een kleine opening. Ik peddelde tussen de rotsen door en probeerde de kano door de knallende beachbreak fatsoenlijk het strand op te sleuren. Ik liet mijn armen wat rusten en genoot van het zonnetje terwijl ik op een van de zachte, stinkende wierhopen lag. Na een tijd peddelde ik weer terug naar het strand waar het busje stond, en eenmaal "thuis" aangekomen sprak ik Rik over hoe zijn dag was. De volgende dag zou ik hetzelfde dak afmaken waar Rik aan begonnen was. Met een soort hoge druk reiniger / verfpistool werd het dak voorzien van een mooi laagje verf. Luke en Luuk begonnen de volgende ochtend met het afmaken van het dak, en we brachten de eerste laag verf toe. De verf moest drogen en het was inmiddels al 13u, dus dan zit er maar een ding op in Australië. Na een half uur gingen we terug vanuit de pub naar het dak en brachten we de tweede laag toe, waarna de zon de rest zou doen. Luke gaf mij de spuit aan vanaf het dak, maar ik moest springen om erbij te kunnen. Terwijl ik in de lucht was greep ik het handvat vast, maar daarmee ook de trigger van het verfpistool, en spoot Luke een mooie laag groen in zijn gezicht en haar. Luke kon er allemaal wel om lachen. Toen we thuis waren pikten we Rik op en gingen we cliff diven langs de kust. We kwamen op een spot van een meter of 4 hoog en doken tussen de rosten richting de bodem. Luke had ook nog wat snorkel spullen meegenomen, en zo kwam het dat ik met de altijd sexy duikbril en een speer onder het water achter het avondeten aan ging. De vissen kenden de rotsen echter van buiten en ik kreeg ze niet te pakken.


Na een flinke week tot laat in de avond films kijken op het grote scherm bij de open haard was het tijd om weer terug te gaan naar Adelaide. Het begint inmiddels herfst te worden en veel backpackers trekken richting het noorden. Aangezien de bus niet in Adelaide verkocht ging worden en werk zoeken had na al die weken zoeken ook geen succes, besloten we om met de laatste centen die we hadden om naar Melbourne te rijden. Het was een redelijke gok want het was 750 km en we hadden geld voor 2,5 tank benzine. De Fransen van de spot gaven ons nog wat eten mee zodat we al ons geld aan benzine konden spenderen. Onderweg stormde het weer er goed op los, en het leek wel of de tijd voorbij kroop. Gelukkig waren er minder bergen als op de heen weg (we namen een andere route) en kwamen we 's avonds aan in Melbourne. Een van de Zweedse meiden die we hier ontmoet hadden had inmiddels een appartement in het centrum, dus daar konden we die avond crashen. Nu is het zaak om hier werk te zoeken en proberen die bus eruit te krijgen..

zondag 17 april 2011

Brisbane to Adelaide (1/2)

Na doei gezegd te hebben op de farm gingen we naar Tony's huis om daar nog wat biertjes te drinken. Daryl, de jager van onze farm en tevens een goeie vriend van Tony kwam langs met zijn jaaghulpje. Daryl is naast jager ook nog eens uitsmijter bij de lokale disco, en dat alles samen met zijn mooie Duitse staartje en amicale grappen maakte het een goeie avond. Na een aantal bieries kwam de zelf gestookte sambuca op tafel, en vervolgens kwam Daryl met het plan om een kangaroo (oftewel roo) te gaan schieten, zodat de honden van Tony weer wat te eten hadden. En zo rijd je achterop de jeep, met 2 flinke kwijlende honden voor je in een kooi, over de zandpaden door de afgelegen gebieden van de farm. Met spotlights werd er goed gezocht in de pikzwarte nacht en uiteindelijk kwamen we een zwerm roo's tegen. Zelfs de voorruit kon voorover klappen om te zorgen dat Daryl niks in de weg stond om een van de roo's met 1 kogel door het hoofdje neer te schieten. Uiteraard heel zielig voor het beest, maar altijd nog vele malen beter dan door 2 honden uit elkaar getrokken te worden. Onder onze ogen werd het beest netjes in stukjes gesneden en aan de haken achterop de jeep gehangen, en zo reden we rustig terug naar Tony's huis om te vertellen dat de missie geslaagd was.



De volgende dag was het dan toch echt tijd voor ons om te vertrekken naar Brisbane, en pakten we de bus. We kwamen aan het eind van de middag in Brisbane aan en we wilden meteen naar een hostel waarvan de eigenaar een busje te koop had staan. Een vriendelijke Ozzie wees ons de weg, liep een stuk mee om er zeker van te zijn dat we goed liepen, en vertelde vervolgens nog 3x welke bus we moesten nemen en welke ferry. Na een flinke tijd in de bus gezeten te hebben stopte hij midden in een woonwijk met de mededeling dat dat het eindpunt was. We vroegen de beste chauffeur hoe het zat met de buslijnen/haltes en ferry's want we waren duidelijk niet waar moesten zijn. Hij vertelde dat door de floods de ferry's sowieso niet vaarden, en dat de plek die wij zochten aan de andere kant van de stad was. Het was inmiddels half 12 's avonds en daar stonden we dan met onze rugzakjes in een woonwijk ergens buiten de stad. We begonnen te lopen en al snel kwamen we een man tegen met een longboard onder zijn arm die zich afvroeg waar we naartoe op weg waren. We vertelden dat we dat onszelf ook afvroegen en hij nodigde ons uit bij hem thuis. Wederom werd er bier van stal gehaald, zijn vriendin kwam erbij zitten, en uiteindelijk mochten we daar op de bank blijven slapen.





De volgende dag gingen we opzoek naar de busjes en maakte wat afspraken om busjes te bekijken. Uiteindelijk kwamen we uit bij het busje van het hostel en terwijl wij daar gratis konden overnachten zou hij voor ons het interieur in orde maken. We hadden een goeie deal gemaakt en voor 200 bucks bouwde hij, met hulp van ons en een vriend van hem, het door ons ontworpen interieur. (Die vriend van hem dronk overigens zo 'n 10 tot 15 liter Coca Cola per dag..). Op de tweede dag aan het eind van de avond was hij dan klaar, en we sprongen er meteen in om 1 minuut voor sluitingstijd nog een geluidsinstallatie te kopen. Subwoofer tussen ons in, stekkers erin en op naar Byron Bay.

De afstanden in Australië vallen altijd wat tegen, als je op de kaart kijkt dan lijkt de afstand van bijvoorbeeld Sydney naar Brisbane een uurtje of vier, maar je bent gerust 3 dagen aan het rijden voor je er bent. Het viel ons dan ook mee dat we aan het begin van de nacht al in Byron Bay aankwamen. We zochten een plekje om te slapen, om de volgende dag wat dingen voor de bus te kopen. Het busje werd mooi ingericht, en toen was het tijd om surfboards te gaan halen. Rick ging voor een 6'4" shortboard en ik voor een 7'4" quasi malibu (voor de heads). Toen alles compleet was reden we richting het main beach om wat te zwemmen in de zee. Toen we weer bij de van waren kwam er op een gegeven moment een busje aangereden met een hippie meisje en die vertelde dat er bij Tallow, een spot aan de andere kant van de vuurtoren van Byron, redelijk goeie surf stond. We gingen het checken, Rick ging even het water in maar het was niet best. 's Avonds chillden we met Ready? (zo noemden haar vrienden haar omdat ze altijd als laatst klaar stond) en die bleek een goeie pot gitaar te kunnen spelen en ook nog eens bezig was om met de Pro Women Tour mee te gaan surfen. We zochten een plek op om te gaan slapen, en de volgende dag gingen we met z'n drieën weer naar Tallow. Het was redelijk druk in het water, en Rick en ik peddelde uit naar de buitenkant van de groep. Op een gegeven moment zagen we in de verte een vin boven het water uitsteken. Toen we goed keken bleek het een groep dolfijnen te zijn die lekker in de golven aan het spelen waren. Ondertussen knalde Ready? op haar roze mini boardje over de ene golf na de andere. De dolfijnen kwamen dichterbij en voor we het wisten zwommen ze onder je door of ze kwamen uit de golven springen die voor onze neus braken. Waarom naar het Dolfinarium gaan als het ook zo kan.




Borat en zijn vrienden waren er ook.

Na een week in Byron Bay vertrokken we met als doel een van de grote toeristenknallers in Oz, de Great Ocean Road. We reden naar het zuiden via de kust opzoek naar baaitjes om te surfen. Elke dag was (en is het nu nog steeds) de sport om een goeie slaapplek te vinden. Je mag vrijwel nergens gratis campen, en in Byron waren we ook al een keer door de politie wakker gemaakt, dus wil je een beetje uitslapen dan moet je je goed verstoppen. We reden Sydney in om nog even hoi te zeggen tegen de mensen via wie we hier gekomen waren en vervolgens reden we snel weer weg, want het is toch voor mij echt de minste stad tot nu toe. Toen we wegreden uit Sydney reden we een groot gedeelte wat we een paar maanden terug nog gelift hadden, dus de voldoening was groot toen toen we er met onze eigen 4 wielen overheen reden. We zochten een mooi plekje aan het strand uit om de nacht door te brengen en toen we wakker werden was er zowaar surf voor onze neus. We peddelden uit en een tijd later kwamen er ook wat andere surfers bij. Niks zo lekker als vroeg opstaan en uit peddelen zonder iemand in het water, op Rik na dan. Toen we uit het water kwamen raakten we aan de praat met de man die namens de gemeente wat klusjes aan het doen was. Hij was al wat op leeftijd maar bleek altijd nog fanatiek te surfen. Hij gaf ons zijn oude wegatlas van Australië met daarin zijn nummer dat als we in de buurt waren we met z'n drieën wat surf konden opzoeken. Het boek, dat bijna uit elkaar viel en nog aangaf dat de weg van Brisbane naar Cairns offroad was, had allerlei spots aangekruist met daarbij omschrijvingen zoals "door het gat in de klif links" en andere hints om op de goeie plek terecht te komen. Het was alsof we een schatkaart kregen. Toen we wegreden van de parkeerplaats bleek dat we heel de nacht vlakbij het treinstation geslapen te hebben waar we met liften nog een tijd gestaan hadden en overwogen hadden om op een goederen trein te springen.
We vertrokken naar het zuiden en gingen opzoek naar de spots zoals die in het oude boek aangekruist waren. De surf in het algemeen was maar halven bak, maar ook hier kan het wel eens minder zijn uiteraard.





Onderweg stopten we aan het einde van een zaterdagmiddag bij ons oude hostel in Melbourne. Na wat geouwehoer met de jongens achter de bar, speelden we wat potjes pool, en was de monteur van wat poker en dart machines zo vriendelijk om ons wat gratis credits te geven. We besloten uiteindelijk maar een nachtje in Melbourne te blijven en we parkeerden onze bus in het midden van de stad op een parkeerplaats naast een busje waar een Zweed in zat. Zodoende zaten een uur later met een onbekende gast aan tafel ergens bij een Chinees in China Town. Later op de avond kwamen we ook nog wat Fransen en Canadezen tegen, en we besloten met z'n allen maar naar een club te gaan. Uiteraard kwamen Rik en ik niet binnen (niet de eerste keer hier), omdat we slippers en een short aanhadden. We lopen hier al maanden op blote voeten en in onze zwembroek dus ze moesten blij zijn dat we de moeite hadden genomen om slippers aan te trekken. Dat ging er niet in bij de bouncer. Rik had niet eens schoenen dus die mocht een paar van mij aan, al waren ze 2 maten te klein. Uiteindelijk stonden we daar dan toch binnen in die club. Zwetend van de hitte door de lange broek en schoenen bestelden we een biertje. Na wat rond kijken concludeerden we dat al die moeite redelijk voor niks was en al snel ging de tent dicht. We strompelden richting de parkeerplaats om daar maar eens wat te gaan slapen. De volgende dag zagen we toevallig de man van het betaalhokje van de parkeerplaats weglopen en wij zagen een kans om flink wat dollars te besparen en besloten om meteen maar te vertrekken. We blijven arme backpackers immersch.